Het kind van de rekening

Lees hier de column die Floor Rusman voordroeg op het Feest van de Democratie. De avond werd door BKB en de Melkweg georganiseerd in het kader van de Provinciale Statenverkiezingen.

Hij die klaagt dat deze verkiezingscampagne niet over de provincies gaat, moet wel last hebben van een aan onnozelheid grenzende naïviteit. Het is logisch dat kiezers niet opgewonden raken van het bestuur van hun provincie. Tot een paar dagen geleden wist ik niet eens wat de provincie precies doet, en voor ik de Wikipediapagina uit had was ik in slaap gevallen. Bovendien hebben meerdere politieke partijen voor de Kamerverkiezingen van afgelopen juni gepleit voor het afschaffen van de Provinciale Staten. Je kunt moeilijk van mensen verlangen dat zij enthousiast worden over iets wat een half jaar geleden overbodig is verklaard. De YouTube-filmpjes van totaal onbekende Statenleden, in de meeste gevallen zeer onfortuinlijk gefilmd (in een vol café of op een winderige vlakte), maken het er niet beter op. De lijsttrekkers hakkelen wat over windmolens of fietspaden, maar ruimtelijke ordening is geen thema waarvan mensen gillend wakker worden.
We moeten deze verkiezingen dus beoordelen als een campagne voor de Eerste Kamer; zeker nu, om de slogan van de VVD te citeren. Waar draait het om tijdens deze campagne, en welke middelen worden ingezet om de kiezer te lokken?
De PvdA heeft de toon gezet met haar verkiezingsslogan ‘Het moet eerlijker’, een wat kinderlijk aandoende uitroep die neerkomt op het oude verhaal van de sterkste schouders en de zwaarste lasten. Ook SP en GroenLinks vinden dat de rekening van de crisis ‘eerlijker’ verdeeld moet worden. VVD, CDA en PVV vinden het juist oneerlijk om de rekening vooruit te schuiven.
Blijkbaar is deze basale discussie over eerlijkheid niet voldoende om de kiezer te bereiken. Het moet nog directer, nog menselijker, er moet geappelleerd worden aan de diepste sentimenten van de kiezer. Tijdens de Tweede Kamerverkiezingen deden de politici dit door te dwepen met de ‘gewone man’, door zich te afficheren als de grote held van de bakker op de hoek, de verpleegster, Henk en Ingrid. Bij de Provinciale Statenverkiezingen is Jan Modaal als referentiepunt ingeruild voor een nóg onschuldiger, nóg kwetsbaarder figuur: het kind.
Ja, u hoort het goed. Deze campagne draait om het kind. Zo zijn in het verkiezingsfilmpje van de ChristenUnie kinderen ijverig bezig met een knip- en plakwerkje terwijl een zachte voice-over de christelijke boodschap verspreidt. In het filmpje van het CDA loopt Elco Brinkman met zijn kleinkinderen door het park. Kijkend naar hoe zij brood gooien naar eenden vertelt Brinkman hoe belangrijk hij het vindt dat er voldoende ruimte is voor kinderen om te spelen, en dat ze opgroeien in een veilige omgeving. Met het glazig in de camera kijkende nageslacht op de arm smeekt hij: ‘Recht uit het hart, ik vraag het u, stem CDA.’ Marlies Velthuijzen van Zanten, staatssecretaris van het CDA, houdt in een ander fragmentje een pleidooi voor zorgzaamheid terwijl ze glimlachend kijkt naar een naakte baby die wordt gewogen in een ziekenhuiskamer.
En dit zijn slechts de filmpjes. Ook de debatten gaan voor het grootste deel over kinderen. Zo wordt er op leven en dood gediscussieerd over de bezuinigingen op extra zorg voor kinderen in het speciaal onderwijs. Vooral Job Cohen weet elk debat in deze richting te manoeuvreren, als het nodig is met een schrijnend voorbeeld van een meisje met een spierziekte dat door deze plannen geen begeleiding meer krijgt bij het naar de wc gaan. Stef Blok, Loek Hermans en Hero Brinkman pareren de kritiek door te zeggen dat het juist zielig is voor kinderen om ze als gehandicapt te bestempelen. En bovendien: als we nu niet bezuinigen schuiven we de rekening door naar… jawel, onze kinderen en kleinkinderen. Blok heeft zelfs een levensecht kind achter de hand: Minoes, de pasgeboren dochter van een niet bij naam genoemde en wellicht niet eens bestaande collega. ‘De PvdA wil de rekening doorschuiven naar Minoes en al die andere baby’s die deze week geboren worden.’ Emile Roemer heeft het ineens niet meer over de armen in het algemeen, maar over de 350.000 kinderen die leven onder de armoedegrens. Volgens Jolande Sap zadelen we onze kinderen op met een energieprobleem als we nu niet investeren in duurzame energie. En Machiel de Graaf durft met zijn kinderen niet meer de onveilige buurten in, omdat er te weinig agenten op straat zijn.
Natuurlijk is het een gouden greep van politici om te appelleren aan de breedst gedeelde consensus onder de bevolking: kinderen zijn onschuldig en hen mag geen leed berokkend worden. Maar is het wenselijk om tijdens de campagne een beroep te doen op dit soort sentimenten? Denken deze politici soms dat kiezers pas het belang van een maatregel inzien wanneer het welzijn van hun kinderen op het spel staat? En hoe zit het dan met de mensen die geen kinderen hebben? Zijn die wel in staat om verantwoorde beslissingen te nemen of denken zij ‘na mij de zondvloed’?
Het getuigt van weinig respect voor de kiezers om ‘het kind’ tot Leitmotiv te maken van een campagne. Maar wanneer ik verwacht dat dit soort trucs in de volgende campagne achterwege zullen blijven, ben ik waarschijnlijk net zo naïef als de mensen die dachten dat deze verkiezingscampagne over de provincies zou gaan.